272 kilometer als team: onze Eiger E250 in 82 uur

272 kilometer als team: onze Eiger E250 in 82 uur

In deze nieuwe Nextrace-serie vertellen lopers over één wedstrijd die ze nooit meer vergeten: door het parcours, door de voorbereiding en door alles wat er onderweg mis kan gaan (en toch weer goed komt). In dit eerste deel neemt Chris Leibbrandt je mee de Zwitserse Alpen in, waar hij samen met zijn vrouw Lara als duo de Eiger E250 liep.

Door: Chris Leibbrandt

‘It never always gets worse.’ – David Hurton

Die zin droegen Lara en ik afgelopen zomer als mantra mee de bergen in. We stonden in Grindelwald aan de start van de Eiger E250, een berg-ultra van ruim 250 kilometer die je in teams loopt. 82 uur later kwamen we samen over de finish. Het werd een avontuur met enorme pieken en diepe dalen.

Van eerste rondjes naar het ultravirus

Sinds 2015 ben ik een ‘hardloper’. In het begin liep ik een paar keer per week, met beperkte kennis en een beperkt schema. In 2017 hoorde ik voor het eerst over ultrarunning: verder lopen dan een marathon. Fascinerend, maar ook onvoorstelbaar. Alsof 42,2 kilometer nog niet ver genoeg is.

Later dat jaar liep ik mijn eerste ultra: de 46 kilometer lange La Chouffe Trail in de Belgische Ardennen. Sindsdien heb ik het ultravirus goed te pakken, en dat heb ik met plezier doorgegeven aan vrienden én aan mijn partner.

Tegenwoordig loop ik zo’n zes keer per week en is mijn focus verschoven naar bergultra’s: wedstrijden met bakken hoogtemeters, een technisch parcours over smalle alpiene paadjes en weersomstandigheden die je niet kunt plannen.

Waarom de Eiger E250 ons riep

In het najaar van 2024 schreven Lara en ik ons in voor een ambitieus hardloopproject: de Eiger E250, in juli 2025. Deze ultra is onderdeel van de UTMB-series, start en finisht in Grindelwald (Zwitserland) en loopt rondom het Jungfrau-massief. Volgens de organisatie is het parcours ongeveer 250 kilometer lang met zo’n 18.000 hoogtemeters. Je loopt in teams van twee of drie, vooral om veiligheidsredenen.

De aantrekkingskracht zat in twee dingen. Ten eerste het teamconcept. Hardlopen is vaak een individuele sport, maar samen racen geeft een compleet andere dynamiek. Ten tweede de grootsheid van de opgave: dit is zo’n race waarvan je vooraf eerlijk gezegd niet weet hoe het uitpakt. Finishen is allesbehalve vanzelfsprekend.

Trainen zonder bergen

Nederland is niet het ideale land om je op een berg-ultra voor te bereiden. Er zijn simpelweg geen echte bergen. Toch kun je veel doen, zolang je creatief bent en vooral één ding serieus neemt: zoveel mogelijk time on feet maken.

Langzaam bouwden we ons volume uit en voegden we, naarmate de race dichterbij kwam, steeds meer specifieke trainingen toe. Hoogtemetertrainingen deden we op steile stuwwallen bij ons in de buurt: op zondagochtend drie uur lang omhoog en omlaag, 2000 hoogtemeters bij elkaar sprokkelen en daarna nog 20 kilometer ‘uitlopen’.

Daarnaast stonden we wekelijks op de loopband, vaak met een gewichtsvest en de helling op 25%. Vrijwel alle trainingen waren laag in intensiteit en het totale volume per week groeide gestaag. In de piekweken trainden we zo’n 15 uur.

Achteraf weet ik: fysiek moet je vooral belastbaar zijn en je blessurerisico zo laag mogelijk houden. Maar bij een ultra van meerdere dagen wordt de echte wedstrijd uiteindelijk in je hoofd uitgevochten. Mentale veerkracht is geen bijzaak, het is de sport.

De start: 20 kilometer cadeau en direct gedoe

Op 16 juli, om 08.00 uur, klonk het startschot en hobbelden we rustig het dorp uit, op weg naar de eerste klim. Net voor de start kregen we te horen dat er vanwege een noodzakelijke omleiding door een rotslawine ongeveer 20 kilometer extra aan het parcours was toegevoegd. Een lekker begin.

Na 30 kilometer moesten we allebei al even stoppen en gaan zitten om goed te kunnen eten. In de 10 kilometer daarna zei Lara geen woord: misselijkheid en duizeligheid. En dan, even later, voelde alles ineens weer prima en konden we eten en drinken alsof er niets aan de hand was.

Achteraf gezien was het bijna geruststellend dat het zo vroeg al stroef ging. Het liet ons zien dat een dip niet per se het einde van je race is. Het kan vanzelf weer beter gaan.

Eerste nacht: het weer dat je klein maakt

Tijdens de eerste nacht klommen we naar een van de hoogste punten van het parcours, op ongeveer 2800 meter hoogte. Ik doe al jaren aan alpiene bergsport, maar zulk heftig weer had ik nog niet meegemaakt. De temperatuur zat onder nul, de wind was zo hard dat Lara me moest vasthouden om niet om te waaien en het zicht was nog maar een paar meter.

We liepen over een gletsjer en volgden breeklichtjes. Langs de route lag een berghut die speciaal voor het evenement open was. Binnen zagen we teams gewikkeld in dekens, sommigen met duidelijke onderkoelingsverschijnselen. Dat beeld blijft bij je.

Nacht twee: het diepe dal

Toen we de tweede nacht ingingen, hadden we zo’n 140 kilometer in de benen en bij elkaar ongeveer 90 minuten geslapen. Rond 03.00 uur, na 43 uur racen, ging het goed mis. Lara voelde zich abrupt heel slecht en moest veel overgeven.

We gingen op een berghelling onder onze noodreddingsdekens liggen, in de hoop dat het vanzelf zou zakken. Dat gebeurde niet. Pas toen het licht werd, zag ik in de buurt een oude schaapshut. Daar konden we liggen en kon Lara even slapen.

Heel langzaam lukte het weer om een beetje te eten en te drinken. Rond 10.00 uur gingen we stap voor stap verder omhoog. Boven at Lara twee waterijsjes. Vanaf daar was het nog ruim 12 uur tot de volgende verzorgingspost. In die uren kreeg ze bijna niets binnen, maar we bleven bewegen.

En toen, wonder boven wonder, bereikten we de post. We namen ruim de tijd. En daarna? Daarna vlogen we teams voorbij. Lara was herrezen uit een onvoorstelbaar diep dal. It never always gets worse.

De finish en wat we meenamen

Na drie nachten, 82 uur racen en ongeveer drie uur slaap kwamen we over de finish. Met tranen in de ogen vielen we elkaar in de armen. Wat waren we trots op elkaar.

Deze race was uniek omdat het zo’n onbekend terrein is: je hebt geen idee hoe je lichaam en hoofd reageren als je dagen achter elkaar doorgaat. Maar vooral ook omdat we het samen deden. We leefden er samen naartoe, beleefden elke minuut van de race als team, bogen tegenslagen om naar weer in beweging komen en huilden samen bij de finish. Herinneringen die je de rest van je leven meedraagt.

Ben je benieuwd hoe het er onderweg uitzag? Hieronder een korte documentaire over onze race.

Van dromen naar doen: 6-uurs van Amerongen

De Eiger E250 is geen instap-ultra. Voor mij is deze race het resultaat van jarenlang consistent trainen, bergsport beoefenen en wedstrijden langzaam langer en complexer maken. Het is een ultra in het kwadraat.

Maar elke ultra heeft z’n charme. En het hoeft natuurlijk niet meteen extreem. Ook in Nederland worden volop ultra’s georganiseerd: van 50 kilometer trailwedstrijden tot meedogenloze 24-uurs races. En als je (nog) niet aan ‘ultra’ toe bent: een kortere trailrun kan minstens zo’n avontuur zijn. Een 30 kilometer trail in de bergen kan zomaar uitmonden in acht uur onderweg zijn. De kans is groot dat je jezelf dan tegenkomt.

Wil je de stap richting een eerste ultra zetten, dan zou ik altijd adviseren om te beginnen met een ‘kleine’ ultra: iets wat nét binnen je mogelijkheden valt. Uitdagend, maar haalbaar.

Lara en ik organiseren dit jaar voor het eerst ook zelf een ultra-evenement, en dat in onze eigen achtertuin. Op 2 mei 2026 is er de 6-uurs van Amerongen: een trailevent waarbij je in zes uur tijd zoveel mogelijk rondes door de Amerongse bossen loopt. Elke ronde is ongeveer 3,2 kilometer lang en telt ruim 80 hoogtemeters. Je kunt individueel starten of als duo.

Voor wie zes uur solo te veel klinkt, is die duo-optie juist een mooie instap: samen voltooi je een ultra. Het parcours is, voor Nederlandse begrippen, technisch en dus echt uitdagend. Onze missie als organisatoren is simpel: mensen samenbrengen die de passie voor (ultra)trails delen. Wie weet zien we elkaar daar.